Gebruikersklassen en hun kenmerken
De Europese norm (NEN-EN 335) definieert vijf gebruiksklassen voor hout en houtproducten. Dit om te vertellen waar en waarvoor het gebruikt kan worden. Vaak valt een houtsoort in verschillende gebruiksklassen vanwege de verschillende toepassingen waar het gebruikt voor wordt.
Gebruiksklasse 1: Binnen, droog
Hout in deze klasse wordt uitsluitend binnenshuis gebruikt, waar het niet wordt blootgesteld aan vocht. Voorbeelden zijn meubels, binnendeuren en vloeren. De kans op schimmelaantasting is in deze klasse minimaal.
Gebruiksklasse 2: Binnen, incidenteel vocht
Hout in deze klasse wordt ook voornamelijk binnenshuis toegepast, maar kan af en toe in contact komen met vocht, bijvoorbeeld door condensatie. Denk aan dakconstructies of balklagen in gebouwen waar enige vochtigheid voorkomt.
Gebruiksklasse 3: Buiten, blootgesteld aan weer en wind
Dit hout wordt buiten toegepast en staat bloot aan weersinvloeden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
- Gebruiksklasse 3.1: Hout dat boven de grond wordt toegepast en niet permanent nat wordt, zoals gevelbekleding.
- Gebruiksklasse 3.2: Hout dat regelmatig nat wordt, bijvoorbeeld in pergola’s of tuinhout.
Gebruiksklasse 4: Contact met grond of water
Hout in deze klasse heeft direct contact met de grond of zoet water, waardoor het een hoog risico op aantasting door schimmels en insecten heeft. Voorbeelden zijn vlonders, schuttingen en palen. Vaak wordt hiervoor geïmpregneerd of van nature duurzaam hout gebruikt.
Gebruiksklasse 5: Contact met zout water
Deze klasse omvat hout dat permanent in contact staat met zeewater, zoals aanlegsteigers en havenconstructies. Dit hout moet extreem duurzaam zijn om bestand te zijn tegen de zware omstandigheden.